Schrijnend portret van joodse jongen
Stijn van der Loo's 'Galvano' is een best debuut
– Wim Vogel, Haarlems Dagblad
Iets toevoegen aan de literatuur wat er nog niet is. Weinig debutanten lukt dat tenzij je Stijn van der Loo heet en een novelle als 'De Galvano' schrijft. Een schrijnend portret van een joodse jongeman die in het begin van de jaren dertig zijn maatregelen neemt om de naderende hordes te slim af te zijn.
Nu, zestig jaren later, is dat perspectief wel duidelijk en is het niet zo heel ingewikkeld te zien langs welke lijnen van geleidelijkheid het ultieme kwaad zich kon ontwikkelen. Des te verbazingwekkender dat Van der Loo's portret authentiek overkomt en je nergens denkt: achteraf heb je makkelijk praten.
Het knappe van 'De Galvano', een novelle van maar net negentig bladzijden, is dat de werkzaamheden die hoofdpersoon Moz verricht, het omgekeerde bewerkstelligen van waar hij langzaam maar zeker achterkomt. Als galvaniseur voorziet hij metalen voorwerpen van andere metalen laagjes: goud, koper, enz. Als joodse jongen doorziet hij, laagje voor laagje, de geheime agenda's van zijn medemensen en regelt zijn wraak voordat zij hem definitief te pakken hebben.
Drie feiten markeren het leven van Moz, die zich katholiek noemt omdat zijn vader drie weken voor de geboorte van zijn zoon trouwde met een katholieke vrouw en vanaf die tijd Christiaan aan zijn echte naam Samuel toevoegde. In 1917 sterft de oude directeur Van Herwaerd door een tragisch (?) ongeval in de fabriek. Twee jaar later kiepert Moz de handtastelijke homoseksuele vriend van de oude baas in een bak zuur en in 1931 overlijdt Emma, zijn Duitse vrouw, aan leukemie. Aan die drie feiten voegt Moz een vierde toe. Als de hufterige zoon van Van Herwaerd de fabriek in 1933 aan Duitsers wil verkopen, al het personeel ontslaat en alleen nog gebruik wenst te maken van Moz, het 'slimme joodje', weet de laatste wat hem te doen staat.
Het is een harde wereld, binnen en buiten de fabriek. Homo's zijn flikkers, joden hebben streken, behoren tot 'een slim ras', zijn wezens 'vreemd aan de natuur en verre van de natuur', en dus nooit te vertrouwen. In die voortwoekerende crisisjaren lijken de mensen verdoofd, zich nauwelijks bewust van wat er gaande is in de grote wereld. Alleen Emma analyseert en observeert en weet dan al dat je gedeisd houden maar het beste is en dat macht tot moord en doodslag leidt.
Voor haar zijn mensen net meeuwen. Die niet beseffen hoe gevangen ze zijn. 'Ze zijn gevangen in de wind waartegen ze moeten opvliegen, met al hun kracht. En ze zijn gevangen in hun honger, waaronder ze voortdurend moeten opstijgen, en 's avonds, als ze eindelijk zijn neergestreken, zie je ze staan, in laag water, gevangen in duisternis en kou. (.....) Ze kunnen niet weg uit wat ze zijn. Ze zijn gevangen in zichzelf.'
Het is dat inzicht in de tragiek van ons bestaan dat Van der Loo in prachtige, sterke taal verbeeldt. Het knappe van 'De Galvano' is daarnaast de ingenieuze compositie. Twintig jaren samengeperst in één werkdag, ergens in 1933. En toch een wezenlijk beeld van de drie decennia daarvoor. De Eerste Wereldoorlog dondert nog in de oren. Duitse dienstboden komen massaal naar ons land. De crisisjaren. En midden in die fabriek die de wereld is, onderkent een man het gevaar onderdeel te worden van een systeem, voelt hij hoe de wereld hem zal verraden en neemt zijn maatregelen.
'De Galvano' is een best debuut.