Fenomenale debuutroman van dubbeltalent Van der Loo
— Enno de Witt, De Zwolsche Courant
Theatermaker Stijn van der Loo schreef een korte debuutroman, die in weinig lijkt op het overige literaire aanbod. Dat is op zich al reden tot juichen. Van der Loo had zich al laten kennen als een podiumkunstenaar met de gave van het woord, dus dat hij ooit met een heus boek zou komen was te verwachten. De enige verrassing is misschien dat het proza werd, en geen poëzie.
De Galvano heeft een hoog techniekgehalte. Het verhaal, nog geen honderd bladzijden, speelt aan het begin van de vorige eeuw, zeg maar tussen de Eerste Wereldoorlog en halverwege de jaren dertig. Verteller is Moz, arbeider in een metaalbewerkingsbedrijf, een duistere ruimte met grote vaten vol bijtende zuren. In dat decor laat Van der Loo een aantal merkwaardige types rondlopen, meest harde mannen met eenvoudige driften. Verder leren we vader en moeder kennen, en zijn geliefde Emma. In heel die kleine wereld speelt zich een ware universele strijd af, met kosmische betekenis, maar op een onnadrukkelijke manier. De zuurbaden zijn niet louter destructief, metaal ondergaat er een metamorfose in, al is die niet meer dan oppervlakkig. De essentie blijft, net zoals de mannen niet kunnen veranderen, Emma ondanks alles toch sterft aan leukemie en het huwelijk van Moz' ouders voortsuddert. De enige uitweg is de dood.
Op zich een weinig origineel gegeven en dat is maar goed ook. Veel belangrijker is wat je er als schrijver mee doet. Van der Loo vertelt op het eerste gezicht een nogal plat verhaal, met moord en een sterke suggestie van aardse seks. Bij herlezing valt meer en meer op hoe alles vernuftig in elkaar overvloeit, zoals bij het rinkelen van een telefoon: 'Af en toe klinkt het op uit de luwte van de dreunen in de fabriekshal, als het tragikomische geratel van machinegeweren na een kanonschot of misschien, zoals Emma zou zeggen, als meeuwgekrijs boven een donderende zee.' Zee en meeuwen komen vervolgens in de tragische geschiedenis van Emma op volkomen natuurlijke wijze terug.
Daarin onderscheidt Van der Loo zich van veel Nederlandse schrijvers. Die puzzelen om het puzzelen. Bij hem is het van een logisch weefsel, waarin ieder draadje op zijn plaats zit, en dat dan ook nog eens weergaloos opgeschreven. Aangrijpend hoogtepunt is het sterfbed van Emma, dat als een lange sliert door het boek heen slingert.
Het thema balt zich hier onnavolgbaar samen: 'Het zonlicht was die morgen schuldbewust, het moest nou eenmaal gebeuren, de ziekenhuiskamer binnen geslopen, over haar bed, dat speciaal een paar dagen eerder aan het raam was gereden, en ook over die witte apparaten die daar verder achterin de kamer nog stonden, ontkoppeld, in de hoek gereden en in afwachting. Het was niet meer aan hen.'
Veel later, als we het einde naderen, zien we Emma een laatste keer, in een delirische passage waarin werkelijk ieder woord naar een ander verwijst en alle motieven door elkaar lopen: 'Jouw witte hand om mijn pols, een ziek klauwtje. Je gezicht was witter dan het laken, ijle moerasgeest. Had ik je terug kunnen halen, met deze grauwe poten, Emma, uit die schimmige damp van je doodsbad, waterstofcyanide, HCN, ik had je vastgepakt, met mijn blote galvanische handen had ik je onderuit het zuurbad gehaald'. Daar stak het noodlot een stokje voor, in dit volgeladen staaltje van hogeschoolschrijven.