Houd je maar liever gedeisd

– Koen Eykhout, De Limburger

Als je ziek bent, ik bedoel echt ziek, krijg je te horen dat je moet vechten. De strijd aangaan met jezelf, voegt een sandaalgeschoeide therapeut je toe. Klaar ben je. Heb je niet alleen die rotziekte, moet je ook nog gaan vechten met jezelf.

Je hèbt toch die ziekte? Je bènt hem toch niet? Als je dan uiteindelijk verliest, zetten ze als troost in de advertentie dat je 'de ongelijke strijd niet kon winnen'. Loser. Susan Sontag, zelf kankerpatiënte, heeft al in Ziekte als metafoor uit 1977 afgerekend met dit soort oorlogstaal.

Moz, de stugge, illusieloze hoofdpersoon uit het scherpgeslepen debuut De Galvano van Stijn van der Loo (1963), heeft er ook een handje van als bij zijn jonge vrouw Emma leukemie is geconstateerd: ,,Je moet ertegen vechten, Emma! Met kracht! Vecht het eruit, die troep!'' Daarbij is Moz niet eens geïnfecteerd door de tussen-de-orenmaffia die de zieke zegt dat het 'eigen schuld dikke bult' is. Dat alternatievengeboefte had je nauwelijks in 1933, het jaar waarin deze verbluffend knap geschreven novelle speelt. Een opmerkelijk jaartal, dat ondanks de onopvallende verwijzing van schrijver-musicus Van der Loo als een schaduw boven het verhaal hangt. Het is het jaar van de machtsovername van Hitler, het jaar waarin de wereld voorgoed van aanschijn zal veranderen. De 'Kriegsmachine' gaat rollen in dat jaar.

Over strijd gesproken en over oorlogstaal. Een strijd die op nog een ander vlak gevoerd wordt. Moz, van joodse afkomst maar katholiek gedoopt wegens een dominante roomse moeder, werkt als galvaniseur in Eindhoven in een stinkende fabriek vol tinbaden en zwavelbassins. Het bedrijf wordt opgekocht door de Duitsers en Moz moet dat zo'n beetje leiden. Tegen de wil van zijn collega's in. Alweer een strijd, maar dan op de werkvloer. Tegen gasten met neorealistische Bordewijk-namen en bijnamen als Krabben, Zweter, Palle, Barrel en Insteker. Moz zelf noemen ze veelzeggend Aanjager.

In een bedrijf met machines als mensen: een rood relaislampje moet je rustig laten knipperen en zelfs de koffiepot lacht je leep toe met zijn scheve tuit. Machines als mensen en mensen als machines. Aanjager klinkt of het een apparaat is en niet als de naam van een man. Of neem Krabben met zijn zweethanden. Hij ageert en reageert als een machine. Dwangmatig. Wat je er ook in stopt bij hem, er komt alleen hitsigheid uit: ,,Ze laat zich vanachter naaien. Kijk dan man, hoe ze zit! Vanachter, zeg ik je! Ik zweer het!'', als hij een vrouw ziet op een kalender.

Nee, dan Emma. Ook Duits trouwens. Ze is een van de duizenden Else Böhlers (Vestdijk, 1935), Duitse dienstmeisjes die elke zaterdag per trein Nederland binnenkwamen. In het begin van de oorlog zagen paranoïde Hollanders ze nog als een mogelijk staatsgevaarlijke Vijfde Colonne. Maar dan is Emma allang dood. Ze sterft in 1931, 31 jaar oud. Aan de ziekte. In een ontroerende en met kracht geschreven passage denkt Moz vol wanhoop terug aan haar: ,,Emma, Emma. Waar heb je me gelaten?'' Hoort u de Bijbel erdoorheen? De wanhoop van Jezus aan het kruis? En wat verderop: ,,Zonder jou ben ik nergens, Emma, ik weet niet waar ik ben. Straks kan ik alleen nog je naam noemen, eindeloos, prevelend, in zoemende herhaling, steeds opnieuw. Als een gebed.'' Misschien vocht Emma niet genoeg, maar misschien had ze gelijk met haar devies dat je je beter gedeisd kunt houden. Ze bleef er niet door in leven, maar ze stierf in elk geval niet met het idee dat ze een verliezer was van haar eigen leven.

Er zijn er die honderden bladzijden nodig hebben om zo'n verhaal te vertellen, Van der Loo doet dat als debutant in nog geen honderd pagina's. Dan ben je een grote. Als dit verhaal over hoe je leven zuiver te houden en je liefde en hoe te strijden tegen de rottigheid op aarde, niet de opmaat vormt voor een grote schrijverscarrière, zou dat, om in de beeldspraak te blijven, een ernstig verlies zijn. Voor de lezer.